Hier en Nuenen
Een zoektocht door de paden van mijn herinneringen. De foto hierboven laat de Oude Dijk in Nuenen, ergens in 1966 zien. De pony waar mijn oudere broer Jos op zit hoorde bij onze neven en nichten van de familie van Deurzen. Ik houd de teugel van het kleine paard vast, op instructie van papa, die met een Ilford camera het juiste perspectief zoekt. Daardoor zie je het zandpad naar de horizon vernauwen op deze lenteochtend. Een zondag. Want de kleren zijn netjes, en vader heeft tijd. De rest van de week werkte hij als typograaf in een drukkerij.
De boombladeren zijn nog niet helemaal uitgelopen. En verderop groeit brem en hop. Klaprozen en korenbloemen waar hommels, meikevers en vliegende herten overheen zweven. De flarden van mensen en gebeurtenissen die mij dierbaar zijn schrijf ik hier op. Uit liefde voor dat boerendorpje dat Nuenen ooit was. En de veelal fijne gedachten aan de mensen die ik op mijn pad tegen ben gekomen. En ook vanuit het besef dat we slechts passanten zijn, die in het voorbijgaan hun stempel drukken. De wereld voorgoed veranderen.
De Oude Dijk is een Geldropsedijk geworden. De houten huizen, de eiken en de insecten aan de vooruitgang weggegeven. Soms is het verlangen naar het stilzetten van de tijd of het terugreizen naar vroeger zo intens dat het zelfs pijn doet. En dan weet ik ook wel: het leven gebeurt hier en nu. Terugspoelen gaat niet echt. En toch doe ik een poging.
1962
Mijn vader heeft zijn eerste grote droom verwezenlijkt. Hij
heeft een huis aan de Opwettenseweg 67 gekocht. Mijn moeder ontsnapt aan het
benauwende leven van het inwonen bij opoe op zolder in Mierlo. Tante Fien wordt
onze buurvrouw en tante Luus de overbuurvrouw. Haar broer Jan is bakker 100
meter verderop.
Op de Ouwen Dijk wonen Willem en Ciska van de Donk in een
bungalow. Geluk is dichtbij.
1966
De kachel gloeit in de winter op kolen. Buiten in de sneeuw
trekken zwaveldampen door de krakend frisse vrieslucht. Voor het eerst trek ik
ijspegels, die langer zijn dan de vijfjarige ik, van het schuurdak. Achter het
huis graaf ik in de zomer diepe gaten, zakt Loesje van Deurzen door mijn eerste
fietsje heen en rijd ik kort daarna op de gerepareerde fiets de brandnetels in. Meikevers maken de
oversteek op de Dijk waarbij ze sierlijke lijntjes in het stof trekken.
Bremstruiken parfumeren Opwetten.
Wanneer Oefening en Volharding door de buurt trekt, wil ik
ook een trommel en krijg ik die van mijn vader. In mijn eentje ben ik een
drumband en ga paraderend tot aan klompenmaker Oerlemans die aan het einde van mijn wereld woont. Bij hun
buren (dat met het kruis in de voorgevel gemetseld) krijg ik suiker jujubes voor
mijn indrukwekkende one-man optocht.
Steeds vaker sta ik ’s avonds voor het slaapkamerraam met
mijn neus tegen het horrengaas aangedrukt. Ik moet eigenlijk in bed liggen. Maar
het leven aan de Oude Dijk gaat door zonder mij en daar word ik jaloers van. De
frisse avondlucht en de geluiden van grasmaaiers, stemmen in achtertuinen, af
en toe een auto die aan de voorkant langsrijdt, de geur van een zojuist
opgestoken sigaar van een wandelaar, een vrachtwagen met een bulldozer van de
firma van Hout die dendert over de Dijk. Grote banden die ruisend over de
sintels gaan die kort geleden over het zandpad zijn uitgestrooid. Ik wil niet
slapen maar op avontuur gaan….
1967 en verder
Ik wil op pad met: Johan Sleddens, Jos en Christ Stoop, Jos
Lamers, Jackie van Lieshout en zijn zusje Truus. Robbie Buvelot hun Anja. Paul en
Jaap de Gruijter. Zusje Titia is nog te klein. Noortje en Antoinette Bouw. De stoet uit de boerderij
van ome Karel: Kareltje, Loesje, Wim, Frans, Mientje, Noud en Harrie. Gertie en
Karin van de Donk. Kees van Geffen en Hans.
Peter en Wilma van Stipdonk en Theo Kronenburg. Verderop
Anja van der Heijden en Peerke Wildenberg. Marianne Coppelmans. Leslie van café
“De Break”. En aan het eind van Opwetten in de Achtentwintig zaten Franske van
den Broek, Peter Damen en nog verder weg in een dennenbosje verscholen William van
Vroenhoven hun Jantje en Liesje.
In een straal van een paar honderd meter rond ons huis zijn
deze kinderen de voetbalelftallen, de cowboys en indianen, de vadertjes en
moedertjes van de Oude Dijk in Nuenen. Allemaal geboren rond 1961. We zwermen
samen uit over de korenvelden van de Vallestap, de landweggetjes richting de
Pastoors Mast of het Eeneind. Als ik de achterplaats uit stap en naar rechts
kijk, zie ik een bomenrij die in een
heiig punt samenkomt. Ik hoor insecten zoemen en nog geen verkeer dat over de
Helmondweg suist.
Carlos van de Putten, Ton Crooijmans, Henk van Rooij en Hans
Cuijpers komen mijn wereld binnen. En de waarheid achter Sinterklaas wordt
duidelijk wanneer Willy Crooijmans mij onverwacht achter een gordijn ziet
kruipen. We schrokken allebei en wisten niet wat te zeggen. Maar toen Sint Willy audiëntie hield in de Vank, keek hij in zijn rode boek en mocht ik maar een half handje pepernoten. Ik leerde toen hoe lastig het is om een leugen van een autoriteit te ontmaskeren en daar zelf de lasten van te moeten dragen.
1968
Ik zat in de keuken van tante Luus tussen Kareltje en Loesje
in. Voor het eerst in mijn leven kreeg ik banaan op een witte boterham met roomboter voor het
ontbijt. Het was ook mijn eerste logeerpartijtje buitenshuis waarbij ik oren en
ogen te kort kwam. Mijn ouders woonden tegenover de boerderij.
Terwijl we aan het eten werden gehouden door tante Luus,
werden de haren van eerst Loesje en dan Mientje door tante in een vlecht
gedraaid. Tussen haar lippen hield ze haarpinnen en elastiekjes. Door met
priemende ogen en meer volume “Eeeden” te zeggen, stopte het rumoerige geklier
aan tafel. Voor eventjes dan.
Kareltje was zo vriendelijk geweest om vlak voor dit ontbijt
twee emaillen teilen in de kelder te laten zien waarin twee halve runderen
lagen uit te bloeden. ‘Vers geslacht, gisteren hier achter de boerderij’. De
geur van vers vlees, bloed, appels, uien en komkommers kwamen samen met het
geslachte dier, als een molshoop in mijn bewustzijn te zitten. Een boterham met
banaan zou heel erg lekker zijn met verse roomboter maar die dooie halve koe
zat me dwars.
Uit de radio stroomden de Beatles met Hello Goodbeye, en All
You Need is Love. Ik kan ze nooit meer horen zonder aan die teilen te denken.
Gelukkig mochten we weg uit het tumult van de boerenzonen. Op weg naar de
Aloysiusschool.
Loes en ik. Daaronder Silvia en Ton.
Langs het huis van Karim, Berend Geurts, Richard Meeuwis,
Arno Hendriks. De Lindenlaan in waar d’n Oliepees zat met snoep onder glas.
Linksaf de Kerkstraat in om Johan Adriaans en Josje Bastiaans tegen te komen.
Frankie Berndsen, Paul de Bruijn die zo hard rolschaatsen kon, Vincent Raessens
en Silvia van de Boomen kwamen vaak tegelijkertijd hun huisjes uit. Naar mister
van Bakel. Mister van der Linden. En de geweldige mister Palar die we Nico
mochten noemen. Die onze hele klas uitnodigde toen hij met Nicolette trouwde.
Nico die biologieles gaf en ons een runderhart, koeienogen en varkenslongen
liet onderzoeken. Weer die geur van dood dier. Maar nu in de klas….
En o wee als mister Vandersmissen orde op zaken moest komen
stellen.
Hij schopte Henkie van Rooij eens zo hard onder zijn kont
dat er iets kraakte in Henkie.
En dan zijn er nog de zwerftochten over de akkers en door de velden met koren die we met Ton, Henkie, Hans ondernamen. Theo en Bart Keeris, Frans Karremans en Hans van Hoof voegden zich bij ons zodat we in de bossen van de Papenvoort oorlogje konden spelen. De TV toren van Mierlo of de Clemenskerk gaven houvast.
In Nuenen gebeurde zelden iets schokkends. Behalve dan toen Oda Kuipers in haar spel op straat door een auto werd
gegrepen. Ik heb haar thuis in haar kistje zien liggen. Soms zie ik het
avondlicht, laat in april en moet ik aan haar en haar familie denken. Het bevroren
gelaat van hun moeder. De gordijnen hielden de horror die ik daar vermoedde binnen. Het uitschreeuwen van pijn, verdriet dat als een hand de adem weg knijpt.
Ik kende alleen de pijn van brandnetels die mijn armen ooit in de fik hadden gezet. Of mijn nieuwsgierige rechterarm die ik door de wringer van moeders wastobbe platgewalst zag worden. Dat waren mijn catastrofes. Een zusje en kind verliezen dat uit het leven wordt weggerukt moest voelen als in het donker zitten. Naakt in een bed van brandnetels. Het hoofd, armen en benen door een wringer. Iedere dag opnieuw en niemand die je ziet of hoort.
Het is een wonder dat een mensenlichaam zichzelf voortdurend
vernieuwt. Een mysterie is het dat er tijdens die verbouwing een aantal beelden
van Toen indrukwekkend mee verhuist naar het archief. Het is een ruimte waar ik
me terug kan trekken en rond kan neuzen. En als ik heel stil ben hoor ik nog de
zware bas dreunen die uit een boerenschuur kwamen rollen. Het was het jaar van
Melanie’s ‘Beautiful People’ maar ik hoorde ‘Time is Tight’ van Booker T.
Reuring op de Oude Dijk. Er was een protest tegen de sloop van de houten huizen gaande. Er waren mensen die het huis wilden kraken. Een term die voor mij in 1971 onbekend was. Op de achtergrond de nog lege ruimte met in de verte de kerktoren van de Clemenskerk.
De samenkomst vanuit een ander perspectief. De huizen aan de westzijde van de Oude Dijk waren net opgeleverd en bewoond. Ik herken onze buren Ari en Corry de Gruijter.




Woonde Peter van Stipdonk ook niet op de opwettenseweg 67? Of was dat later (eind jaren 70)?
BeantwoordenVerwijderenJa klopt. Peter woonde op nummer 67 dacht ik. Naast ons dus.
BeantwoordenVerwijderenPrachtig Willem. Is voor het eerst dat ik dit lees, tijd heb genomen om er eens voor te gaan zitten, en ik vind het erg mooi en puur geschreven. Het is echt jouw jeugd die je aan mij vertelt. Dank.
BeantwoordenVerwijderen