Trooster
Een ongeplande vakantie gaf me alle tijd om naar
een uitvaart te gaan. De samenkomst was gepland in de boomgaard van de
overleden moeder van een vriendin. Ik kende moeder alleen uit de verhalen die vriendin vertelde over haar jeugd in Dodewaard.
Was er nog nooit geweest in die Rare Naam. Alleen een kernenergieprotest
van lang geleden kleefde er nog aan. De eindeloze rijen fruitbomen zeiden dat
dit hier de Betuwe was.
Bij het betreden van de oprit hoorde ik het geroezemoes al.
Rammelen van glazen en tingelen van lepels in koffiekopjes. Mijn beste schoenen,
zijn ook die waarmee ik me het stevigst op de grond voel staan en die had ik
aangetrokken. Ook had ik een smetteloos wit overhemd aangetrokken en een bescheiden aftershave op gedaan. Ofschoon mijn haar dunner aan het worden is, zag ook dat er
patent uit. Ik was klaar voor de confrontatie met de dood en haar verdrietige
gevolgen.
Mijn vrienden omhelsden en kusten me hartelijk – je ziet er
goed uit man! – en werd onderdeel van het murmelen onder appelbomen. Omdat mijn
naasten druk waren met condoleances, verveelde ik me al snel een beetje en
wierp me dus na het derde kopje koffie op als ober. De vriendelijke tikken op
mijn schouders en billen zetten me ook nog aan de afwas. Samen met de zus van
de overledene deelde ik een dankbaar taakje en leerde dat, hoe treurig ook,
grote zus met de dood veel ellende bespaard bleef. En dat een laatste groet
toch altijd ook weer een gezellige bedoening is: ‘gek hè?’
Ik wandelde nog maar eens de tuin in en vond opnieuw wat
aandacht van de vrienden. De drukte kwam nu goed op gang via de zij-ingang van
de tuin. Er vormde zich een flinke rij bedroefde dorpsgenoten waaronder een
complete huisartsen familie. Moeder had vroeger op alle kinderen van de dokter
gepast en knuffeldieren voor ze gebreid, zoals later in een toespraak werd
beweend.
Toen gebeurde er iets bijzonders. Omdat ik tussen mijn vrienden
in stond, wilde het bezoek ook mij hun medeleven betonen. De eerste vochtige
hand schudde ik weifelend maar met een zelfverzekerd gelaat. Maar naarmate de
rij passeerde, merkte ik dat ik steeds beter in mijn rol als ontvallene kwam.
Zo goed zelfs, dat het verdriet vanuit de stoet achter mijn ogen kwam zitten en
ik in plaats van één, twee handen om de mijne gevouwen kreeg.
‘Dat doe je goed’, zei mijn vriend en ik keek naar mijn
schoenen. Er was muziek en toespraken. Bij het refrein van ‘Let It Be’ dat we
met ons allen zongen verschenen een prop in mijn keel en echte tranen.
Op de begraafplaats vlogen de kille teksten in het natuursteen
me aan. Het heffen van het glas in de tuin zou ik niet meer afwachten. Ik wilde zo
snel mogelijk de rivieren weer oversteken naar het veilige Eindhoven.
De volgende nacht droomde ik over een door perfectionisme
geplaagde schrijver die verstrikt geraakt was in zijn bloemrijke, maar altijd
feilbare zeggingskracht. Gedreven door eenzaamheid en wanhoop ging hij
begrafenissen bezoeken, waarbij hij
steeds naast de rouwende familie ging staan, om zo onderdeel te worden van het
dubbelzinnige lot dat overlevenden met elkaar delen. In deze rol vindt deze
schrijver de brandstof om zijn opgedroogde pen weer te laten vlammen….


Reacties
Een reactie posten