Doorgaan naar hoofdcontent

Zwarte Vogel


Zwarte Vogel (1983)


Het station loopt vol met gehaaste mensen. Onderweg naar hun verlangen. Net als ik. Mijn hele lichaam loopt over van begeerte naar Ella, de enige echte vrouw waarmee ik me kameraadschap kan voorstellen. Alles rond mijn navel voelt samengetrokken en voel mijn darmen even schokkend en trillend protesteren tegen mijn krachtige wens om me bij Ella te voegen. Zodat ik weer heel ben en mijn gedachtestroom een beetje tot rust kan komen. 

Het zou me heel wat waard zijn om die diepe wens met een van deze vastberaden mensen te delen. Althans, vastbesloten is de gehaaste tred van hun lichamen die het grote verlangen in zich opsluiten.
De meest korte weg wordt gekozen om daar te zijn waar het thuis voelt en men het verlangen aan hem of haar op kan hangen. Zo bezien lopen hier eigenlijk maar halve mensen, of iets meer. Maar zeker geen hele. En wat heeft het voor zin om met anderen mijn gedachten hierover te delen? Misschien kan ik beter ophouden met zeuren. 

Langzaam loop ik naar een deur waar een wagon zal stoppen en neem de beweging en het gewoel  om mij heen niet meer op. Alleen mijn krimpende navel ervaar ik en het zachte zonlicht dat door smoezelige ruiten van het station naar binnen valt.


Ik moet zo misschien wel vijf minuten hebben gestaan. Want toen mijn trein arriveerde en ik schrok van de gillende metalen remmen, had ik talloze ogen op mij gericht. De mensen om mij heen dachten misschien wel dat ik een mime artiest was, die een stilstaand, heftig verlangend jongmens uitbeeldde. Het was zeker dat zich om mij heen een kringetje mensen verzameld had. Toen ik met een schok terugkeerde uit mijn roes, trok een man zijn portemonnee en wierp een muntstuk voor mijn voeten. Mijn verbazing belette me te reageren en meer mensen volgden. Zelfs heel even de aanvang van een applaus dat snel verstomde. Als ik een plechtige buiging had gemaakt was er zeker een overtuigend applaus geweest. Mijn verlegenheid zou dat niet toestaan. De toegeworpen munten geneerden mij. Laat staan een applaus. 

Alles werd weer normaal. De mensen zochten hun plaatsen in de coupés, toen er iemand op mijn schouder tikte. Ik draaide me om en zag een vogel staan. Een vogel…hij zag mijn verbazing en knikte vriendelijk. Onmiddellijk sloot ik mijn ogen, schudde met mijn hoofd en draaide mijn ogen flink in de kassen rond. Dit moet een hallucinatie zijn. Zo veel heb ik er over gelezen, over mensen die gek worden en dingen zien die er niet zijn. En altijd was ik er stellig van overtuigd dat dit mij nooit zou overkomen. Maar toen ik mijn ogen opende was de vogel er nog steeds. Ik probeerde weg te lopen maar werd tegengehouden. Een krachtige vleugel versperde mij de weg.  ‘Zullen we samen reizen?’ zei de vogel. Verder dan wat stamelen kwam ik niet, maar de druk die hij in mijn rug gaf, stuwde mij de trein in. Mijn verbazing bleef groeien toen ik zag dat niemand op de vogel reageerde. Ik keek nog eens om en ja. Hij was er nog steeds en knikte geruststellend, het hoofd naar beneden gebogen van onder de wenkbrauwen kijkend. En eerlijk: geen enge blik, veeleer sympathiek en geruststellend. Maar ik stond mezelf niet toe te geloven wat ik zag. 

Toen we tegenover elkaar zaten draaide mijn verbazing zich om in een komische gelatenheid. ‘M’neer is zeker een trekvogel.’ Plots boog hij zich voorover en de blik in zijn ogen liet niets aan de fantasie over. Streng sprak hij me toe. ‘Je moet niet denken dat ik dit soort grappen kan waarderen jongeman. Je bent niet de eerste die mijn ziel probeert voor zich in te nemen met dit soort clichés. Je bent banaal.’ Ik was perplex en terug in de staat van verwondering waar ik aan probeerde te ontsnappen. Geschrokken bood ik excuses aan en vroeg wat hij van mij wilde. ‘Je was het enige mens op dat station dat stilstond’, zei hij en vervolgde na een duidelijke denkpauze: ‘je lijkt me een goed mens te zijn , maar ik vrees dat ik me heb vergist.’

Met verbluffende plechtigheid en nauwkeurigheid sprak de vogel tegen mij en probeerde zijn sympathie te hervinden. ‘Het spijt me van die opmerking van daarnet. Ik probeerde het ijs te breken ziet u. Eerlijk gezegd heb ik behoefte aan wat gezelschap.’ De vogel ontspande zich maar bleef me strak en gewapend aankijken. ‘Het was niet de bedoeling een kwetsende opmerking te maken’, probeerde ik nogmaals. ‘Ja, ja, nu weet ik het wel’, bitste hij terug.
‘En waarheen reist Mneer’ waarbij hij dat laatste cynisch imiteerde uit de eerste woorden die ik tot hem gesproken had. ‘Ik ga een vriendin bezoeken. AL weken wacht ik op een weerzien met haar.’ En daar was het weer, het verlangen zat weer op zijn plek, onder in mijn buik. ‘En waarheen reist u?’ Vroeg ik bijna proestend. ‘Naar Lyon, daar zal ik een mondiaal gezelschap van ornithologen toespreken over de stand van zaken in het landschapsbeheer.’

Ik had het niet meer. Ik kon mijn lachen niet meer onderdrukken dus gilde ik het uit van pret.  De vogel keek mij verbaast aan. ‘Waarom lacht u nu toch, ik vertel geen grappige leugens.’Maar mijn pogingen de draad weer op te pakken strandden op het besef hoe absurd deze situatie me voor de geest stond. Geduldig wachtte hij mijn bulderende lachen af. EN met een bijna menselijke timing vroeg hij: ‘heeft u er ooit bij stil gestaan wat stedenbouw en industrialisatie voor mijn vliegende vrienden betekent?’ Ja daar kon ik me wel iets bij voorstellen. ‘Ik heb de belangrijke taak en eer de noodklok voor ons allen te luiden, dus u kunt wel begrijpen dat ik niet op uw triviale grappen gesteld ben.’ ‘Natuurlijk’, beaamde ik gehoorzaam. 

‘Jullie mensen zijn bruut en wreed. Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht…dat dekt uitstekend de bedoeling van de mens met ons, vogels.’ Langzaam begon ik hem serieus te nemen.
‘Kijk’, zei hij, ‘de mensen snappen niet wat wij te zeggen hebben. Ze vinden de vogeltjes zo mooi fluiten maar dat is niet het geval omdat wij ons bestaan aanhoudelijk zouden bezingen.’
‘Waarom dan?’, vroeg ik. ‘Natuurlijk is er ook wel eens een blij vogeltje dat voor zijn plezier wat zingt maar meestal zijn het pure angstkreten, klaagzangen of waarschuwingen van allerlei aard naar soortgenoten.’ Mijn behoefte aan duidelijkheid omtrent zijn bedoelingen groeide. Ik vroeg me af waarom ik mij in deze volstrekt onwezenlijke situatie bevond. Ik probeerde het nog eens. ‘Maar waarom vertelt u dit tegen mij?’


De vogel sloeg zijn ogen neer. In deze rust besefte ik dat de trein op volle snelheid door het schemer raasde. De avond zou vallen en in het donker doorrazen. ‘de reden dat ik jou aansprak daar in dat station laat zich moeilijk vatten in woorden. Eigenlijk is de totale chaos die ik in jou bespeur de reden om voor jou te verschijnen.’ Dat klinkt plechtig’, probeerde ik de spanning wat te verminderen. Maar wat altijd als bewust in de marge was, brak nu als een lang gerijpte puist die voelbaar en al heel lang gistend aanwezig was. ‘Een verschijning komt mij voor als iets dat alleen en uniek door één persoon waarneembaar is’, zei ik. ‘Dat klopt’, zei de vogel. ‘jij bent de enige die mij ziet en dat verbaast je. Maar het verbaast jou niet dat jij jouw verlangens niet kunt delen. Althans niet echt kunt delen door zomaar een gesprekje om je kleine misselijke hartje te luchten.’Plots snapte ik de bedoeling. De vogel was de stoffelijke tegenpool van wat onstoffelijk in mij broeide. 
Mijn ondeelbare verlangen en de illusie dat Ella het doel van mijn verlangen zou kunnen zijn. En inderdaad, de totale chaos en het onvermogen te begrijpen overvielen mij met een kracht zoals ik die niet kende. Ik wist vertwijfeling te plaatsen maar niet een die zo diep mijn fundamenten deed schudden als nu. Nu zit ik met deze vreemde vogel opgescheept, die mij lang voordat ik klaar was om te begrijpen wat er te begrijpen valt, de feiten zo hard maakte dat chaos het enige ontsnappen was. 

‘Een vogel heeft alleen de wind’, sprak hij. Ik voelde me boos worden. ‘Ik heb niet om jouw profetieën gevraagd’, sputterde ik. ‘Dat heb je wel.’ Ik voelde alle verweer zinloos worden. Ik durfde het alleen maar te denken, als mogelijkheid toe te laten en de vogel te beschouwen als een alwetend stukje van mezelf. Maar durfde nooit te geloven dat ik het zo duidelijk voor me kon zien. En ineens wordt me iets duidelijk. De angst voor verlies van iets zo vertrouwds, van iets dat zo dichtbij is dat het een derde arm wordt. Een tweede hoofd. En dan de angst dat dat hoofd ineens geamputeerd wordt en ik overblijf met alleen mijn hoofd dat leeg en vol zinloosheid is. 

Het besef dat de vergankelijkheid onuitstelbaar is maar dat je probeert, in je verlangen naar haar, een te zijn om dat nooit, nooit meer los te hoeven laten. De mate waarin je angst voor amputatie bestaat, bepaalt de kracht van je liefde. 

‘Maar angst is geen liefde’, sprak de vogel. Alsof hij mijn gedachten las. ‘Angst is angst. Liefde is liefde.’ ‘Is angst en liefde onlosmakelijk dan?’ De vogel stond op, liep het gangpad door en verdween. Mij in diepe twijfel achterlatend. Hier zat ik nu opgezadeld met een grote vraag die beter nooit gesteld had kunnen zijn. Verdoofd en actie bereid voor zover deze samen kunnen gaan.  Ik plakte aan de coupé bank vast. 

Voorlopig hoopte ik dat de trein voorlopig zijn eindbestemming niet zou bereiken. Voordat ik Ella’s ogen zou zien wilde ik duidelijkheid over of mijn liefde voor haar angst was, of liefde, of allebei. En hoeveel angst en hoeveel liefde. 

Ik probeerde een voorstelling te maken van hoe ik me voelde toen ik wachtend op het station was. Maar nergens in mijn lijf was een afdruk te vinden van wat was geweest. Alleen mijn hoofd dacht en tolde en berekende en deed alles te bevatten wat er nu gebeurde. Een grote zwarte vogel komt mij aan het twijfelen brengen. Waarom toch? Waarom. Ik haat dit onvermogen tot begrijpen en de agressie die geboren wordt richt zich tegen niemand dan mijzelf. 

De vogel keerde terug zoals hij weggegaan was. Hij zette zich neer op de bank tegenover mij en nog voordat de plof hoorbaar was zei hij koud: ‘jij weet niet wat verlangen is.’Zijn ogen keken dwars door mij heen. Slurpten me nu bijna op. ‘Jouw verlangen is een verlengstuk van angst. Ver – Langen. De angst om vrede te vinden in wat is. Gedachteloos te zijn voor een mens is voor een mens net zo moeilijk als om op eigen kracht te vliegen. Daarom hebben vogels vleugels en mensen gedachten.’

‘Ieder vliegt met eigen mogelijkheden weg van de enge stilte die vrede heet.’

‘Maar waarom kom je me dit vertellen vogel?’

‘Omdat je daar op dat station bevroren stond. Gedachteloos en gestold. Maar niet in vrede.’

Reacties

Populaire posts van deze blog

Power to the Pooperd

  Power to the Pooperd: Of, hoe we met knippen en kakken onze onmacht verminderen. Nog een paar dagen te gaan voordat Circus Trump begint. Kan dat goed gaan? Nee. Dat kan natuurlijk niet goed gaan en wij staan er machteloos bij. Het is namelijk niet ons land, niet onze cultuur en niet onze president. Maar we gaan het merken omdat hij een uiterst machtige politieke hooligan is. Met een gewapende, door ressentiment bezeten en een in boosheid gemarineerde F-side. En toch kunnen we iets doen vanuit onze kleine leefwereld hier in de Nederlanden. Daarover later meer.    Tulpen uit Amsterdam, Narcisten uit Washington Maar eerst, zou jij rustig ademhalen bij een zelfingenomen miljardair, die zijn dolle aanhangers het parlement liet bestormen omdat hij zijn herverkiezing verloren had? Een leider die de democratie in het gezicht uitlacht door staatsgeheimen te ontvreemden. Een narcist die desinformatie en leugens verspreidt, het land tot op het bot verdeelt zodat hij al...

Hier en Nuenen

Hier en Nuenen   Een zoektocht door de paden van mijn herinneringen. De foto hierboven laat de Oude Dijk in Nuenen, ergens in 1966 zien. De pony waar mijn oudere broer Jos op zit hoorde bij onze neven en nichten van de familie van Deurzen. Ik houd de teugel van het kleine paard vast, op instructie van papa, die met een Ilford camera het juiste perspectief zoekt. Daardoor zie je het zandpad naar de horizon vernauwen op deze lenteochtend. Een zondag. Want de kleren zijn netjes, en vader heeft tijd. De rest van de week werkte hij als typograaf in een drukkerij. De boombladeren zijn nog niet helemaal uitgelopen. En verderop groeit brem en hop. Klaprozen en korenbloemen waar hommels, meikevers en vliegende herten overheen zweven. De flarden van mensen en gebeurtenissen die mij dierbaar zijn schrijf ik hier  op. Uit liefde voor dat boerendorpje dat Nuenen ooit was. En de veelal fijne gedachten aan de mensen die ik op mijn pad tegen ben gekomen. En ook vanuit het besef dat ...

Ode aan mister Palar

  Volgens de wetenschap (en de Disney film ‘Inside Out’) is er in ons brein een prachtig geheugen- systeem geëvolueerd. Het voorziet herinneringen zorgvuldig van een labeltje plus een routekaart naar de opslag- en bewaarplaats. Wonderlijk! Er worden herinneringen aangemaakt, die een leven lang beschikbaar blijven voor ons bewustzijn.    Grijze pap (De voor jou) belangrijke gebeurtenissen sla je in aparte pakketjes op. Ze gaan via het werkgeheugen naar de sorteerafdeling om een nachtje af te koelen. Soms komen ze langs tijdens de beeldenstorm van een droom terwijl je slaapt. Wanneer herinneringen de moeite waard zijn voor jouw toekomst, worden ze doorgestuurd naar de afdeling kwaliteit. Hier vindt een ingenieus en bijna volledig geautomatiseerd (onbewust) sorteerproces plaats.  Een aantal herinneringen wordt gekoppeld aan leerprocessen die een bewust doel hebben, zoals een (vreemde) taal leren spreken en schrijven, een brommer opvoeren of karate beoefenen. En da...